OK, ik beken, ik behoor tot een clan. Eén van de kenmerken van een clan is dat kritiek en zelfspot binnenshuis eventueel moeten kunnen, maar als dezelfde kritiek uit de buitenwereld komt, dat we dan de rangen sluiten. Mijn clan is de reclamewereld. Ik heb er ongelooflijk veel kritiek op, en verwelkom elk debat daarover. Maar buitenstaanders moeten zwijgen.
En zeker als de buitenstaanders in kwestie ooit zelf clanleden waren.

Case in point dit weekend in De Standaard: Noël Slangen. De grote communicatiegoeroe verklaart daarin: “Ik had vroeger een reclamebureau. Maar ik had er geen zin meer in. Ik vind dat een wereldje van gebakken lucht.”
Dat Slangen vroeger een reclamebureau had - en nu richt ik me even tot de jongere lezertjes - is ongetwijfeld waar. Vele reclamemakers die die tijd meegemaakt hebben herinneren zich nog altijd de vraag die ze zich stelden bij elke openbare aanbesteding: “Maken we een klans of doet Slangen mee?” Waarmee niet bedoeld werd dat we tegen de duizelingwekkende kwaliteit van het werk geen kans maakten, laat dat vooral duidelijk zijn. Het ging meer over het curieuze effect dat een “reclamebureau” dat er blijkbaar niet in slaagde commerciële merken als klanten aan te trekken, wél altijd gerenommeerde bureaus met indrukwekkende klantenlijsten kon kloppen in openbare aanbestedingen met politieke connecties. Het zal toeval zijn!
Maar goed, dat zal wel te wijten zijn aan het feit dat “public awareness” campagnes een vak apart zijn. Zo apart dat Slangen daarvoor nu dus een nieuw bureau heeft dat zich met strategische communicatie bezighoudt. U weet wel, maatschappelijke draagvlakken creëren, zoals bijvoorbeeld voor de Lange Wapper in Antwerpen, een dossier waarin Slangen voor enkele miljoenen euro’s strategisch advies gaf en waarvoor het maatschappelijk draagvlak zich nu ongeveer situeert ter hoogte van het straks waarschijnlijk in een referendum verkozen alternatief, zijnde een diepe tunnel. Zowat ter hoogte van de populariteit van Open VLD, nog zo’n klant van Noël.
Maar we wijken af. Gebakken lucht dus. Zoals Wim Delvoye eraan toevoegt: zoals in de kunstwereld, maar dan zonder talent.
Ik loop elke dag in die wereld rond en ik zie supergetalenteerde mensen elke dag opnieuw het beste vna zichzelf geven. Ik ben blij dat ik ze mijn collega’s mag noemen, en iets minder blij dat ze ook mijn concurrenten zijn. Maar geen van hen, ik herhaal: geen, laat zich met een chauffeur rondrijden. En, beste Noël, hun tijd is ook kostbaar.
Bak nog wat lucht, Noël.